Sociaal-cultureel volwassenenwerk Amateurkunsten Lokaal Cultuurbeleid Participatiebeleid Circus in Vlaanderen Vlaamse Gebarentaal Internationaal Tewerkstelling Beleidsdocumenten Begroting
Onderzoek
Medailles en Nationale Orden Publicaties

Historiek

In het begin

De allereerste “vereniging” in Vlaanderen werd opgericht in 1851. In de decennia die daar op volgden, ontstonden tal van andere verenigingen, elk met een eigen ideologische, nationalistische of economische achtergrond. Enkele voorbeelden: het Davidsfonds (1875), de Socialistisch Vooruitziende Vrouwen (1919), de Kristelijke Arbeidersvrouwengilden (1920), de Arbeiderstoeristenbond (1927), de Katholieke Werkliedenbonden (1941), … Deze verenigingen en tal van anderen die in de loop van de 19de en vooral de 20ste eeuw het licht zagen, worden gesubsidieerd door de Vlaamse overheid op basis van het decreet van 4 april 2003 ‘betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk’.

Het decreet

Het decreet verving de drie regelgevingen die tot eind 2002 golden voor de sector van het sociaal-cultureel volwassenenwerk, of ‘sector volksontwikkeling’ zoals die toen nog heette. Dit nieuwe decreet betekende een grondige herstructurering van de sector. De 42 verenigingen die erkend en gesubsidieerd werden op basis van het decreet van 19 april 1995 ‘houdende een subsidieregeling voor verenigingen voor volksontwikkelingswerk’, werden automatisch erkend door het nieuwe decreet.

Van de drie werksoorten die in het decreet van 2003 worden vermeld – verenigingen, bewegingen en vormingsinstellingen – heeft de eerste de minste structurele veranderingen ondergaan. Het decreet definieert wat een vereniging is en aan welke voorwaarden ze moet voldoen om erkend en gesubsidieerd te worden. De subsidie-enveloppe wordt bepaald door het aantal afdelingen in het jaar 2000. Ze geldt telkens voor een volledige beleidsperiode. Voorts kan een inhoudelijke en kwalitatieve beoordeling van het beleidsplan een invloed hebben op de omvang van de enveloppe.

Wijzigingen

Na een eerder beperkte wijziging van dit decreet in 2006 (waardoor de beleidsperiodes voortaan met een jaar werden verlengd), werd op 14 maart 2008 een ingrijpender aanpassing doorgevoerd. De subsidie-enveloppe van een organisatie wordt vanaf de volgende beleidsperiode (2011-2016) vastgesteld op de grond van de evaluatie van haar werking in de voorbije beleidsperiode. Dit om tegemoet te komen aan de bedenking dat de enveloppe eerder uitging van voornemens (beleidsplannnen) dan van geleverde prestaties. De opmaak van een beleidsplan blijft echter noodzakelijk, zij het in afgeslankte vorm.

Een belangrijk moment in de nieuwe vorm van evaluatie is de visitatie, uitgevoerd door een commissie die is samengesteld uit externe deskundigen en leden van de administratie. Daarnaast werd ook de mogelijkheid gecreëerd om bijkomende budgetten te verwerven door in te spelen op beleidsprioriteiten die de minister in overleg met de sector zal bepalen. Deze maatregel werd omwille van besparingen tot nader order opgeschort.

Naar aanleiding van het resultaat van de erkenningsronde van de migrantenverenigingen werd er op 23 december 2010 nog een decreetswijziging doorgevoerd. Eerst en vooral werden de overgangsbepalingen opgeschort (art. 54). In artikel 55 wordt nu de subsidie-enveloppe van de erkende migrantenverenigingen vastgesteld. Voor de niet-erkende migrantenverenigingen wordt hierin een overgangsmaatregel uitgewerkt.

Cijfers

De activiteiten van de 56 verenigingen die momenteel jaarlijks financiële middelen ontvangen van de overheid bereikten in 2010 ongeveer 9,3 miljoen deelnemers. Om en bij de 173 000 actieve vrijwilligers zetten zich actief in voor hun vereniging. Zij deden dit nationaal, of in een van de bijna 14 000 lokale afdelingen. Voor Vlaanderen komt dat neer op ongeveer 43 afdelingen per gemeente.

(Cijfers voor 2010. Bron: Boekstaven 2011)