Sociaal-cultureel volwassenenwerk Amateurkunsten Lokaal Cultuurbeleid Participatiebeleid
In de kijker Leesbevordering Verenigingen met een specifieke opdracht Vereniging gedetineerden Bibliotheekwerking gedetineerden Participatieprojecten kansengroepen Lokale netwerken personen in armoede Laagdrempelige educatie voor kansengroepen Hobbyverenigingen Aanbod kansengroepen in gemeenschapscentra Bijzonder cultuuraanbod - Podium
Circus in Vlaanderen Vlaamse Gebarentaal Tewerkstelling Beleidsdocumenten Beleidsrapportage Internationale samenwerking Begroting
Onderzoek
Medailles en Nationale Orden

Historiek


Van cultureel centrum tot cultuurcentrum


De start

De culturele centra vinden hun oorsprong in ‘60. Het in 1962 opgerichte ministerie van de Nederlandse Cultuur maakte een studie over de culturele infrastructuur in Vlaanderen. Hiermee werd de grondslag gelegd voor een nieuw netwerk van culturele ontmoetingscentra die los van de klassiek verzuilde maatschappij zouden functioneren.

Vanaf het midden van ’60 stimuleerde een subsidie van de overheid de bouw van culturele centra (KB van 13 mei 1965, aangevuld en vervangen door het KB van 22 februari 1974). Een financiële ondersteuning van 60% op de kosten voor de ruwbouw van een cultureel centrum overtuigde heel wat gemeenten om een cultureel centrum te bouwen.

Met dit beleid voor de culturele centra streefde de Vlaamse overheid twee belangrijke doelstellingen na: vlotte toegang voor elke Vlaming tot de kunsten en voldoende infrastructuur voor het alom verspreide Vlaamse verenigingsleven. Overal in Vlaanderen ontstonden de eerste culturele centra, van een evenredige en planmatige spreiding was nog geen sprake.


Inzetten op professionalisering

In ‘70 werden de culturele centra meer en meer zichtbaar en met het decreet van 16 juli 1973 zette de Vlaamse overheid in op verdere professionalisering van de sector. Dit decreet van 1973 voorzag in weddentoelagen voor de cultuurfunctionarissen in de culturele centra. De culturele centra konden een erkenning verkrijgen op basis van in het decreet bepaalde voorwaarden. Het landschap van de cultuurcentra werd ingedeeld in vier categorieën: A, B, C of D. Voor het beheer van het cultureel centrum zorgde een beheersorgaan dat bestond uit politieke vertegenwoordigers (50%) en afgevaardigden uit het lokale sociaal-culturele veld (50%). De initiatiefnemer tot de oprichting van een cultureel centrum mocht dan wel de gemeente zijn, voor het uiteindelijke beheer waren er meerdere mogelijkheden: gemeentelijk beheer (met het personeel van de gemeente) of een privaatrechtelijk beheer (personeel in dienst van de vzw). Een eigen uitgebreid kwalitatief aanbod van kunst en cultuur in de culturele centra werd een feit.


Een sector in evolutie

Het decreet van 24 juli 1991 brengt enkele belangrijke verschuivingen in het landschap aan. Na de fusiegolf kon per gemeente één cultureel centrum erkend worden. In de deelgemeenten kon men wel nog wijkhuizen (filialen van het cultureel centrum) in stand houden. Ook Provincies en de Vlaamse Gemeenschapscommissie in Brussel konden initiatiefnemer zijn. De indeling in categorieën werd complexer en spoorde samen met de omvang van de infrastructuur en het inwonertal van de gemeente: categorieën plus II, plus I, basiscategorie en wijkhuis. Op vlak van beheer blijft zowel het privaatrechtelijke (vzw) of het gemeentelijk beheer mogelijk. Echter, om een vlotte financiële afhandeling van tal van aspecten in de werking van de culturele centra mogelijk te maken (uitbetalen artiesten, aankoop van kleine materialen…) zullen vele gemeenten het gemeentelijk beheer van hun cultureel centrum aanvullen met een programmeringsvzw: een vzw die binnen de contouren van de gemeente instaat voor vlotte financiële afhandeling van de dagelijkse werking van het cultureel centrum. Het decreet van 1991 blijft inzetten op professionalisering van de sector: naargelang de categorie en de aanwezige infrastructuur (o.a. aantal wijkhuizen) maakte de gemeente aanspraak op een enveloppensubsidie voor het personeel. Eventuele meerkosten worden gedragen door de gemeente zelf. In 1992 is er een invoering van minimale barema’s voor het gesubsidieerde personeel in de Vlaamse culturele centra. Het diploma en de functie waren hiervoor bepalende elementen. Het systeem van barema’s werd in 1996 geschrapt, de diplomavereisten bleven.


Verankering in een lokaal cultuurbeleid

De enorme groei van de culturele centra (103 erkende centra in 1998) had ook een keerzijde: er dreigde een overaanbod in sommige regio’s en een debat over de positionering van de centra drong zich op. Een erkenningsstop in 1996 en een stop op gesubsidieerde personeelsuitbreiding luidde een herbronningsperiode in. Zowel de regelgeving als de sterk kwantitatieve benadering van de werksoort “cultureel centrum” zouden onder de loep worden genomen.

Onderhandelingen en nieuwe budgettaire ruimte op de Vlaamse begroting leidden tot het decreet lokaal cultuurbeleid van 13 juli 2001. Culturele centra werden “cultuurcentra” en zouden voortaan één van de actoren worden binnen een kwalitatief lokaal verankerd integraal cultuurbeleid. Andere actoren waren: de bibliotheek en de cultuurbeleidscoördinator. Samenwerking en afstemming tussen die verschillende actoren werd zeer belangrijk.

Belangrijk binnen het lokaal cultuurbeleid was de planmatige verdeling van de cultuurcentra over Vlaanderen: op basis van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) werd een lijst van gemeenten opgesteld die in aanmerking kwamen voor het inrichten van een cultuurcentrum.
Een beperkt aantal gemeenten en steden, gebaseerd op de hiërarchische lijst van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV), kon nog een subsidie krijgen voor het cultuurcentrum. Het beleid gaat hierbij uit van de stad als bron van cultuur en het koppelen van cultuur aan de regionale en economische functie van een gemeente.

Tabel met potentieel aantal cultuurcentra in Vlaanderen

Categorie: A B C grootstad TOTAAL
provincie Antwerpen 2 5 5 12
provincie Limburg 2 2 11 15
provincie Oost-Vlaanderen 2 6 7 15
provincie Vlaams-Brabant 3 6 7 16
provincie West-Vlaanderen 4 5 6 15
stad Antwerpen 1 1
stad Brussel 1 1
stad Gent 1 1
TOTAAL 13 24 36 3 76

Opvallend was dat heel wat gemeenten met een cultureel centrum (op basis van de oude regelgeving) niet langer subsidie konden aanvragen voor het cultuurcentrum. Het lokaal cultuurbeleid voorzag in een duidelijke opdeling:
  • gemeenten die op basis van het RSV instonden voor een ruimer cultureel verzorgingsgebied
  • gemeenten die op basis van het RSV eerder een lokaal cultureel bereik hadden

Voor de eerste groep was er de mogelijkheid tot het oprichten of een doorstart van cultureel centrum naar cultuurcentrum. Voor de tweede groep was het mogelijk om het cultureel centrum om te vormen tot een gemeenschapscentrum: infrastructuur van de gemeente met het oog op cultuurparticipatie, gemeenschapsvorming en cultuurspreiding. Precies dezelfde opdrachten als een cultuurcentrum maar dan voor de eigen lokale context waar het cultuurcentrum die opdrachten moet invullen voor een regionaal gebied. Al naargelang de regionale uitstraling van de gemeente werden de cultuurcentra onderverdeeld in 4 groepen: grootsteden, categorie A, B en C.

Tabel met aantal cultuurcentra in Vlaanderen, volgens provincie (situatie zoals nu van toepassing)

Categorie: A B C grootstad TOTAAL
provincie Antwerpen 2 5 4 11
provincie Limburg 1 3 11 15
provincie Oost-Vlaanderen 2 3 6 11
provincie Vlaams-Brabant 3 4 5 12
provincie West-Vlaanderen 3 5 5 13
stad Antwerpen 1 1
stad Brussel 1 1
TOTAAL 11 20 31 2 64