Wijzigingen
Toelichting bij wijziging 1
De eerste wijziging kwam er op initiatief van een aantal parlementsleden. Zij dienden eind 2005 een voorstel in bij het Vlaams Parlement om het decreet te wijzigen. Volgens hen zou een aantal decretaal opgelegde instrumenten een te grote druk leggen op de gemeenten en andere betrokken besturen. Heel wat bepalingen zouden worden ervaren als een administratieve last zonder toegevoegde waarde op het lokale niveau. Gemeentebesturenn zouden gewag maken van overdreven vereisten wat procedure en vorm betreft.
Met hun voorstel beoogden de parlementsleden dus een administratieve vereenvoudiging, zonder afbreuk te doen aan de fundamentele uitgangspunten van het decreet. De voorgestelde wijzigingen:
- Men maakt jaarlijks één nota ter verantwoording van de ‘geoormerkte’ subsidies (in plaats van de jaarlijkse jaarplannen en werkingsverslagen): m.a.w. het jaarplan is niet langer voorwaarde voor subsidiëring en het werkingsverslag wordt vervangen door een (jaarlijkse) verantwoordingsnota over de uitvoering van het jeugdwerkbeleidsplan.
- In die verantwoordingsnota moeten eventuele bijsturingen van het jeugdwerkbeleidsplan worden aangegeven. Die bijsturingen moeten omstandig worden gemotiveerd. Via een wijziging van de uitvoeringsbesluiten van 12 september 2003 (zie lager) zullen de nadere regels waaraan deze verantwoordingsnota’s moeten voldoen nader worden bepaald
- De verantwoordingsnota hoeft in principe niet goedgekeurd te worden op de gemeenteraad of de provincieraad, tenzij er een wijziging in het jeugdwerkbeleidsplan wordt voorgesteld. Het advies van de gemeentelijke of de provinciale jeugdraad blijft altijd verplicht.
- Voor de provincies moet de verantwoordingsnota die wordt ingediend na afloop van het derde jaar van de planperiode, een volledige evaluatie, inclusief eventuele bijsturing, van het lopende jeugdwerkbeleidsplan bevatten.
Aan de planperiode van drie jaar werd niet geraakt. De communicatieve planning met het jeugdwerk, kinderen en jongeren moet ernstig worden genomen, aldus de indieners. Elke nieuwe generatie jongeren (na drie jaar zijn minstens twee derde van de jeugdwerkers vervangen) moet de kans krijgen telkens weer het hele planningsproces mee te maken. Dat zou niet mogelijk zijn mocht men kiezen voor een planperiode van 6 jaar.
Naar aanleiding van de wijziging van het decreet, moesten ook de bijhorende uitvoeringsbesluiten worden aangepast. Dat was nodig om de overeengekomen vermindering van de administratieve planverplichtingen ook effectief te kunnen uitvoeren. De aanpassing van de besluiten moest ervoor zorgen dat de gemeenten, de provincies en de Vlaamse Gemeenschapscommissie eenduidige richtlijnen krijgen over de manier waarop ze verantwoording moeten afleggen over de uitvoering van de jeugdwerkbeleidsplannen.
Toelichting bij wijziging 2
De tweede wijziging van het decreet sproot voort uit een interne evaluatie van de toepassing van het decreet. Bovendien wezen een aantal signalen van het werkveld op overdreven procedurele en administratieve verplichtingen bij de opmaak van de gemeentelijke en provinciale jeugdwerkbeleidsplannen. De wijziging beoogde een vermindering van de planlast en een administratieve vereenvoudiging. Daarnaast werden een aantal bepalingen geactualiseerd.
1. Verminderen van planlast en administratieve vereenvoudiging
Na drie jaar uitvoering van het decreet werd vastgesteld dat een aantal van de in het decreet voorziene instrumenten een te grote druk leggen op de gemeenten. Die bepalingen werden dan al vlug ervaren als verplichtingen die de Vlaamse overheid oplegt om in aanmerking te komen voor subsidie, en dus eigenlijk als een bijkomende administratieve last zonder toegevoegde waarde op het lokale niveau.
Volgende wijzigingen werden voorgesteld:
- De acht hoofdstukken in het jeugdbeleidsplan worden gereduceerd tot twee meer omvattende hoofdstukken nl. 1. jeugdwerkbeleid; en 2. jeugdbeleid.
- Het maatschappelijk kader (situatieschets) kan als dusdanig wegvallen. In de procesbeschrijving en analyse die leiden tot de doelstellingen wordt er best wel aan gerefereerd.
- In het decreet zelf worden de grote onderdelen van de twee hoofdstukken beschreven: dit betekent dat de zeer gedetailleerde beschrijving van de opbouw van de verschillende hoofdstukken uit de uitvoeringsbesluiten kan worden geschrapt.
- Parallel wordt ook in het provinciale luik eenzelfde vereenvoudiging voorzien.
In dit ontwerp van decreet werd niet geraakt aan de planperiode van 3 jaar. Wanneer men de communicatieve planning met het jeugdwerk, kinderen en jongeren ernstig wil nemen, dan moet men hen minstens om de 3 jaar expliciet in het planningsproces betrekken, en zorgen dat hierbij geen generaties overgeslagen worden.
2. Actualisering van het decreet
- Het decreet vraagt dat de lokale besturen niet alleen het jeugdwerkbeleid in een planningsproces zetten, maar vraagt ook uitdrukkelijk aandacht voor het jeugdbeleid van gemeenten en provincies. In het hele decreet wordt het woord ‘jeugdwerkbeleidsplan’ vervangen door ‘jeugdbeleidsplan’, waarmee aangegeven wordt dat de twee hoofdstukken een evenwaardig belang hebben.
- Het refertebudget wordt aangepast (20 miljoen euro vanaf 2008) en een nieuwe verdeling ervan op de basisallocatie Gemeentelijk Jeugdwerk wordt voorgesteld. Hierbij wordt 17.744.000 euro (88,7%) sowieso voorbehouden voor de ondersteuning van de lokale en intergemeentelijke jeugdwerkinitiatieven. Verder wordt een stramien opgenomen waardoor het mogelijk wordt om ook binnen het hoofdstuk jeugdbeleid een prioriteit mee te geven. Voor deze prioriteit wordt voor het eerst uitdrukkelijk een budget voorbehouden. Wij zijn van oordeel dat een duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen de basissubsidies die geoormerkt moeten blijven op het jeugdwerk en de impulssubsidies die binnen hun prioriteit zouden moeten bewezen kunnen worden, onafgezien of de uitgaven jeugdwerkgerelateerd zijn of niet.
- E wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen de basissubsidies en de impulssubsidies. Het staat de gemeenten vrij in te spelen op de prioriteiten, dus beroep te doen op extra subsidies.
- In de hoofdstukken moet uitdrukkelijk worden beschreven hoe de principes van het interactief bestuur in de praktijk worden gebracht.
- Het concept van een financieel logboek wordt ingevoerd: een financieel overzicht per begrotingsjaar van de beleidsplanperiode, van de gedane uitgaven in het voorbije jaar (rekening), de begroting van het lopende jaar en een prognose (raming) voor de uitgaven voor de volgende jaren. Jaarlijks moet dit financieel logboek aangepast worden. Zo kan de gemeente jaarlijks een stand van zaken tonen van wat er het voorbije jaar is uitgegeven en wat er volgend jaar zal worden uitgegeven.
- Voor de VGC wordt extra bepaald dat ze in haar jeugdbeleidsplan dient te beschrijven hoe ze, in samenwerking met deskundige en relevante actoren, de gemeentebesturen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zal betrekken bij het voeren van een geïntegreerd jeugd- en jeugdwerkbeleid. Via deze bepaling wil het decreet op het gemeentelijke jeugdbeleid uitdrukkelijk ruimte geven aan de Brusselse gemeenten om een eigen jeugdbeleid te ontwikkelen voor de Vlaamse kinderen en jongeren in hun gemeente. Het decreet vraagt wel om dit duidelijk in overleg te doen met de VGC om dubbele subsidiëring of overlappend beleid te vermijden.
- Aan de VGC wordt (naar analogie met de provincies) gevraagd om het vijfjarenplan grondig te evalueren na drie jaar.
- De mogelijkheid dat de Vlaamse Gemeenschapscommissie inspeelt op de jeugdwerkprioriteit wordt ingevoerd. Hiervoor wordt minstens een zesde van de voorbehouden 6% voor de VGC voorbehouden.
- Er wordt uitgaan van een stabiele gegevensverzameling door de Vlaamse overheid, die dan door alle bevoegde actoren kan gebruikt worden. Aan de gemeenten, VGC en provincies kan maximum eenmaal per jaar worden gevraagd gegevens aan te leveren. De administratie krijgt de regiefunctie toegewezen voor wat betreft de gegevensverzameling. Zij moet bewaken dat de gegevensverzameling gebeurt in opdracht van de overheid, en op een efficiënte, systematische en gecoördineerde wijze.
- Parallel wordt ook in het provinciale luik eenzelfde actualisering voorzien.
Om uitvoering te kunnen geven aan het aangepaste decreet, moesten ook in de uitvoeringsbesluiten een aantal technische aanpassingen gebeuren. Daarnaast moest ook bepaald worden op welke manier de gemeenten kunnen inspelen op de gekozen prioriteiten en hoe ze in aanmerking kunnen komen voor de voorbehouden subsidies.
Opschriften
Het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid werd bij decreet gewijzigd in 2005 en 2006. Het opschrift van het decreet luidt sindsdien:
- Decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid, zoals gewijzigd bij de decreten van 23 december 2005 en 15 december 2006
Naar aanleiding van de wijzigingen van het decreet moesten ook de bijhorende uitvoeringsbesluiten worden aangepast. Dat gebeurde in 2006 en 2007, bij besluiten van de Vlaamse Regering. Het opschrift van de uitvoeringsbesluiten luidt sindsdien:
-
Besluit van de Vlaamse regering ter uitvoering van het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid, inzake het voeren van een gemeentelijk en intergemeentelijk jeugd- en jeugdwerkbeleid, zoals gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004, 16 juni 2006 en 26 januari 2007.
-
Besluit van de Vlaamse regering ter uitvoering van het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid, inzake het voeren van een provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid, zoals gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004, 16 juni 2006 en 26 januari 2007.
Wijzigingsdecreten en -besluiten