16.06.2016 | Verslag Rekenhof over de subsidiëring van jeugdverenigingen

RekenhofVorig jaar onderzocht het Rekenhof de doelgerichtheid en rechtmatigheid van de subsidiëring van jeugdverenigingen, de evaluatie en bijsturing van het subsidiesysteem en de resultaten ervan. Het verslag van dat onderzoek is nu klaar en werd ingediend bij het Vlaams Parlement, waar het in de Commissie voor Cultuur, Jeugd, Sport en Media zal worden behandeld.

Volledig verslag Rekenhof over de subsidiëring van jeugdverenigingen (.pdf)

Algemene conclusies

  • De subsidiëring van de jeugdverenigingen kadert onvoldoende in de doelstellingen van het jeugd- en kinderrechtenbeleid. De huidige minister geeft weliswaar, meer dan in de vorige legislatuur, aan hoe de jeugdverenigingen passen in het jeugdbeleid, maar hij is daarbij weinig concreet. Subsidieovereenkomsten met de jeugdverenigingen concretiseren de individuele subsidiedoelstellingen, maar koppelen die niet aan de doelstellingen van het Vlaams jeugd- en kinderrechtenplan. Dat bemoeilijkt de toetsing van het doelbereik van de subsidiëring.

  • Het subsidiebudget 2014-2017 is niet berekend op grond van een behoeftebepaling in functie van de beleidsdoelstellingen. Het steunt vooral op de historische enveloppe. Mede door besparingen en nieuwe subsidieaanvragen, volstaat het sinds 2015 niet meer om nieuwe verenigingen de basissubsidies te verlenen waarop ze recht hebben. De noodzakelijke globale subsidievermindering voor alle jeugdverenigingen, kan leiden tot problemen bij de uitvoering van de afspraken in hun subsidieovereenkomst en het doelbereik van de subsidie.

  • De subsidiëring verloopt rechtmatig. De regelgeving en de processen zijn voldoende duidelijk en de administratie draagt bij tot een efficiënte subsidiëring, met een aantal duidelijke sterktes. Zo zijn de doelstellingen in de subsidieovereenkomsten voldoende toetsbaar om de werking van de gesubsidieerde verenigingen te sturen en het doelbereik op te volgen. De administratie volgt de indicatoren in de overeenkomsten ook goed op en informeert de jeugdverenigingen tijdig over vastgestelde tekortkomingen.

  • Knelpunten zijn dan weer in eerste instantie de bepaling van het subsidiebedrag. Die is vooralsnog te weinig onderbouwd met de decretale beoordelingscriteria, vooral wat de aanvullende subsidie betreft, die bij de meeste jeugdverenigingen aanzienlijk hoger is dan de basissubsidie. Uit de subsidietoekenning en de subsidieovereenkomsten blijkt immers niet welke activiteiten en doelstellingen, bovenop de minimaal vereiste basiswerking, de aanvullende subsidie rechtvaardigen.

  • Een ander knelpunt vormt het gebrek aan eenvormigheid in de controleverslagen, dat de vergelijkbaarheid van de controleresultaten bemoeilijkt. De controleverslagen bieden ook onvoldoende inzicht in de uitvoering van de overeenkomst door het niet-opnemen van de realisatiegraad van de indicatoren en het ontbreken van conclusie op niveau van de doelstellingen uit de subsidieovereenkomst en over de volledige uitvoeringsperiode.

  • Doordat de subsidieovereenkomsten geen duidelijke koppeling bevatten tussen het subsidiebedrag en de doelstellingen, is een aangepaste, objectieve sanctie bij het niet halen van een indicator of doelstelling moeilijk. De administratie kiest daarom meestal voor het inhouden van het subsidiesaldo.

  • Ten slotte gebruikt de administratie de informatie uit de controle-activiteiten vooral om de jeugdverenigingen tijdens de subsidieperiode bij te sturen. Het gebruik van deze informatie bij de advisering van subsidieaanvragen of de opmaak van de subsidieovereenkomsten is minder transparant. De administratie aggregeert de informatie niet systematisch tot globale, organisatieoverschrijdende conclusies of de evaluatie van het subsidiedoelbereik.

  • Uit een eigen evaluatie door het Rekenhof blijkt dat de meeste jeugdverenigingen hun subsidieovereenkomst voldoende realiseerden, maar dat slechts een minderheid alle SD haalde. Een beperkt aantal jeugdverenigingen haalde de meerderheid van de SD niet. Administratie en minister sanctioneerden een gebrekkig doelbereik maar in beperkte mate, met weinig invloed op de subsidiëring in de volgende beleidsperiode. Rekening houdend met de realisatiegraad van de subsidieovereenkomsten, droeg de subsidie het meeste bij tot de realisatie van vier van de 24 beleidsdoelstellingen, waarbij de doelstellingen "vrijetijdsaanbod op maat van maatschappelijk kwetsbare kinderen en competentieontwikkeling van jongeren in de vrije tijd" een uitgesproken band hadden met de activiteiten van de jeugdverenigingen.

Aanbevelingen

  1. Het is aangewezen dat de decreetgever de subsidiëring heroverweegt in het licht van de beschikbare budgettaire middelen.

  2. De minister moet de subsidiëring van jeugdverenigingen en politieke jongerenbewegingen situeren binnen de doelstellingen van het algemeen jeugdbeleid en de subsidieresultaten in dat kader evalueren. De administratie moet er vervolgens over waken dat de inhoud van de subsidieovereenkomsten een duidelijk verband legt met de beleidsdoelstellingen.

  3. Om geen irreële verwachtingen te scheppen, dient de minister het budgettair kader voor de subsidiëring mee te delen vooraleer de jeugdverenigingen hun beleidsnota opmaken.

  4. Het is aangewezen dat de administratie werk maakt van een systeem dat een eenduidige en consequente relatie legt tussen de beoordelingscriteria in het decreet en het bedrag van de aanvullende subsidies. Het is ook aangewezen dat ze de kostenberekening in de subsidieaanvragen toetst aan budgettaire parameters.

  5. Bij de toekenning van een aanvullende subsidie moet het duidelijk zijn voor welke activiteiten, andere dan de basismodules, ze wordt toegekend. Opdat de verenigingen hun verbintenissen correct kunnen uitvoeren, moet de overeenkomst de verplichtingen afstemmen op het toegekende subsidiebedrag.

  6. De administratie kan de bruikbaarheid van haar controles verbeteren door: te waken over de uniformiteit van de controleverslagen; • een expliciet oordeel te geven over de invulling van alle indicatoren; • heldere conclusies te formuleren over de uitvoering van de subsidieovereenkomst op grond van het geheel van haar bevindingen; • na afloop van de subsidieovereenkomst een oordeel te geven over de volledige uitvoeringsperiode.

  7. .De administratie en de adviescommissie moeten de informatie uit de controleverslagen op transparante wijze gebruiken bij hun advisering van nieuwe subsidieaanvragen en het opstellen van nieuwe subsidieovereenkomsten.

  8. De administratie dient de controle-informatie aan te wenden om geaggregeerde informatie over de werking van de gesubsidieerde actoren te verzamelen. Dat kan haar helpen bij de analyse van gemeenschappelijke knelpunten, sterktes en zwaktes. Daarmee kan zij, eventueel in overleg met het steunpunt, input geven voor de bijsturing van de gesubsidieerde jeugdverenigingen. Deze informatie kan ook inzicht bieden in het globale doelbereik van de gesubsidieerde verenigingen en bijdragen tot de evaluatie van de resultaten van de subsidiëring als beleidsinstrument.

Reactie van de minister

In zijn antwoord, opgemaakt in overleg met de administratie, stelde de minister dat hij zich kan herkennen in de meeste bevindingen van het Rekenhof. Hij maakte enkele kanttekeningen bij het rapport en haalde nieuwe ontwikkelingen aan die al tegemoetkomen aan enkele opmerkingen.

Hij wees op een ingediend voorstel van decreet tot wijziging van het decreet van 20 januari 2012 betreffende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid, dat de indiening van nieuwe erkenningsaanvragen wil beperken tot eens in de vier jaar, wat volgens de minister de beheersbaarheid van het budget zal versterken.

Dat voorstel van decreet voorziet ook in een afstemming van de subsidieovereenkomsten van jeugdverenigingen met bijzondere opdracht op de periode van de legislatuur, zodat zij kunnen inspelen op de beleidsprioriteiten. Wat de koppeling van de subsidiëring aan de doelstellingen van het jeugdbeleid betreft, wees de minister op de terughoudendheid bij het Vlaams Parlement ten aanzien van wat de instrumentalisering van het jeugdwerk wordt genoemd.

De minister vermeldde het voornemen van de administratie om de prestaties waarvoor de variabele subsidie wordt toegekend, beter te onderscheiden van de basissubsidie. Hij preciseerde dat die aanvullende subsidie behalve op extra prestaties ook kan steunen op de invulling van beoordelingscriteria. De administratie zal ook haar aanpak van de controleverslagen en de benutting van informatie uit de controleverslagen verder overwegen, rekening houdend met de schaarse middelen.