Subsidies
Landelijk georganiseerde jeugdverenigingen Cultuureducatieve verenigingen Verenigingen informatie en participatie Politieke jongerenbewegingen Experimentele projecten Projectoproepen Jeugdhuizen Internationale projecten Jeugdverblijfcentra Brede school Organisaties kansengroepen Grootschalige jeugdevenementen Verenigingen met bijzondere opdracht Tewerkstelling
Lokaal en bovenlokaal jeugdbeleid Kadervorming en attesten Vlaams jeugd- en kinderrechtenbeleid Kinderrechten Internationale samenwerking Uitleendienst Kampeermateriaal Begroting Onderzoek Beleidsdocumenten Fiscale aftrek kinderopvang Publicaties Parlementaire vragen en initiatieven

Jeugdbewegingen in Vlaanderen

Een onderzoek bij groepen, leiding en leden


Oprachtgever Agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen, afdeling Jeugd
Uitvoerder Universiteit Gent, vakgroep Sociologie en vakgroep Sociale Agogiek
Periode oktober 2009 - oktober 2010
Eindrapport Jeugdbewegingen in Vlaanderen (.pdf 2 Mb)

 

Voorstelling onderzoek

Op 10 december 2010 stelde minister van Jeugd Pascal Smet het rapport van het jeugdbewegingsonderzoek 2010 voor. Het onderzoek maakt een aantal tendensen en veranderingen binnen de jeugdbewegingen zichtbaar en schetst een beeld van de werking, leiding en leden van de jeugdbewegingen anno 2009-2010.

Het huidige onderzoek is een vervolg op een gelijkaardig onderzoek uit 1991 (L. Bral. 1991, Jeugd in Beweging) en trekt conclusies over negen onderwerpen: perceptie en realiteit, infrastructuur, diversiteit, waarden en opvattingen, vergelijking tussen koepels en groepen, de verkleutering, het engagement, de tevredenheid en de relaties tussen leden en leiding. Vijf jeugdbewegingen werden bij het onderzoek betrokken, op basis van vooraf bepaalde criteria: Chiro, FOS, KLJ, KSJ-KSA-VKSJ, Scouts en Gidsen Vlaanderen.

Uit het persbericht van minister Pascal Smet

Wat loopt goed?

Het onderzoek bevestigt dat onze jeugdbewegingen een sterk en gezond merk zijn. In tegenstelling tot wat soms gedacht wordt, is vergeleken met twintig jaar geleden het aantal leden stabiel gebleven. Qua infrastructuur blijkt dat de toestand van onze jeugdlokalen redelijk goed mee valt. Op het vlak van verkleutering zien we een stijging van het aantal jonge leden, maar dat leidt niet tot een afname van het aantal oudere leden. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, toont onze jeugd nog altijd heel wat engagement. Bij vele leden staat de jeugdbeweging op nummer één. De jeugdbeweging behoudt ook haar profiel van derde socialisator en die belangrijke factor mag zeker niet verloren gaan. De jeugdbeweging biedt naast thuis en school een belangrijke aanvulling voor de opvoeding van kinderen.

Ook de diversiteit in de jeugdbewegingen is groter dan gedacht. Het is de opdracht van de minister van Jeugd om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk kinderen en jongeren deelnemen aan het jeugdwerk. De jeugdbewegingen deden de laatste jaren veel inspanningen om hun groepen diverser te maken én uit het onderzoek blijkt dat dit stimuleringsbeleid loont. Daarom wil de minister de volgende jaren blijven investeren in het ondersteunen van de jeugdbewegingen en in een diversiteitsbeleid op maat. Het beleid moet vertrekken van de premisse dat zoveel mogelijk kinderen moeten kunnen participeren aan het jeugdwerk.

Een belangrijk punt uit het onderzoek is dat volwassenen de neiging hebben om de leefwereld van kinderen en jongeren te problematiseren. Terwijl de jeugdbeweging vooral een voedingsbodem is van talenten, kansen, ontmoeting… komt ze maar in de media als het fout loopt. Zo blijkt uit het onderzoek dat de perceptie van volwassenen vaak niet overeenkomt met de beleving van de leden.

Waar moet aan gewerkt worden?

De gezondheid van de jeugdbeweging is dus globaal goed maar toch formuleert het onderzoek een aantal werkpunten.

Veilige infrastructuur
Naast informatie en inspraak is het recht op een eigen en veilige infrastructuur één van de drie basisvoorwaarden voor een goed lokaal jeugdwerk. Het valt op dat tegen de verwachtingen in het al bij al niet slecht gesteld is met de jeugdinfrastructuur in Vlaanderen. Daaruit concludeert minister Smet niet dat hij het thema infrastructuur moet loslaten, maar wel dat hij op de ingeslagen weg verder moet met name lokale besturen prikkelen om infrastructuur permanent mee te nemen in het lokaal beleid. Zo lanceerde hij begin dit jaar de prioriteit ‘(brand)veiligheid’ voor de lokale jeudbeleidsplannen. Een ander belangrijk punt waarvoor hij aandacht wil vragen in het jeugdbeleid, is de toegangelijkheid van infrastructuur. Daarom zal minister Smet in 2011 een onderzoek lanceren om de toegankelijkheid in kaart te brengen en op basis daarvan gepaste actie ondernemen.

Vorming loont
Uit dit onderzoek blijkt ook dat de jeugdbeweging veel meer is dan spel en plezier. Ze is een goede derde socialisatiefactor, naast de ouders en de school. De jeugdbeweging wakkert talenten aan, leert jongeren reflecteren over eigen handelen en leert hen verantwoordelijkheid opnemen. Hoe meer vormingen jongeren volgen, hoe groter het vertrouwen in eigen vaardigheden. Minister Smet wil daar verder op inzetten. Jongeren kunnen in de jeugdbeweging scoren maar ook falen en dat wil hij bewaken. In het voorjaar van 2011 zal hij een nieuw reglement lanceren dat jongeren in staat moet stellen om aan de buitenwereld te laten zien wat ze ‘geleerd’ hebben in de jeugdbeweging.

Netwerken met andere sectoren
Een laatste belangrijk werkpunt is het feit dat jeugdbewegingen te weinig ingebed zijn in netwerken die hun eigen werking overstijgen. Ze moeten in de toekomst een actief netwerk vormen met de sectoren rond hen. Dat bondgenootschap moet één doel voor ogen hebben: de brede ontwikkeling van kinderen. Minister Smet is ervan overtuigd dat Brede School een hefboom kan zijn voor jongeren en de jeugdbeweging om elkaar in eerste instantie te ontmoeten. Uit het onderzoek blijkt ook dat ouders vaak een bepalende factor zijn voor de keuze van de kinderen. Een brede school kan ouders zonder jeugdbewegingsachtergrond vertrouwd maken met de jeugdbeweging.